Wandelende takken

Wetenschappelijke naam Dixippus morosus
Herkomst Azië en Australië
Voedsel Bladeren van klimop en liguster


Wandelende takken zijn slanke insecten met lange poten. Enkele soorten kunnen meer dan 30 cm lang worden en dat zijn dan ook de grootste insecten ter wereld. Wandelende takken zijn bijna altijd bruin of groen en daarmee hebben deze planteneters een uitstekende schutkleur. De wandelende tak wordt steeds vaker als huisdiertje gehouden.

Het is een leuk beestje om te zien, is goedkoop en makkelijk in het onderhoud en is zeer geschikt voor kinderen met allergie voor stof of haren. Met name voor kinderen is het ook reuze interessant om dit beestje te bestuderen. Want niet alleen ziet hij eruit als een groen twijgje, hij gedraagt zich ook nog eens zo. Zodra hij ook maar even het idee heeft dat er gevaar dreigt blijft hij stokstijf, poten gestrekt langs het lange lijf, tegen een echte tak zitten. Hij is dan bijna niet van de echte tak te onderscheiden.

Er bestaan maar liefst 2000 verschillende soorten wandelende takken in de warmere gedeelten van de wereld. Vooral in Azië en Australië komen ze veel voor. De soort die hier als huisdier gehouden wordt komt oorspronkelijk uit India. Uit dat land werden aan het begin van de eeuw door iemand uit het Brabantse Gemert wat van die grappige eitjes meegenomen. Na een paar maanden kwamen ze uit en zo is de wandelende tak in Nederland gekomen. De Latijnse naam voor wandelende tak is Dixippus Morosus.

Huisvesting

Als huisvesting voor de wandelende tak is een plastic bakje met het daarbij behorende deksel met luchtgaatjes (geo-bakje) het meest geschikt. Een glazen aquarium kan ook maar die moet wel met horregaas worden afgesloten want anders ontsnappen de beestjes. Een wekfles, of erger: een jampot is echt veel te klein. Als bodembedekker wordt Corbo, dit zijn maïskorrels, of Chinchillazand gebruikt.
De bak kan verder ingericht worden met takken. Het belangrijkste is dat er klimop of liguster bladeren in de bak aanwezig zijn. Dit is namelijk het voedsel van de takken.

Voortplanting

Bij de voortplanting van de wandelende tak is geen mannelijk diertje nodig.
De vrouwtjes kunnen eitjes leggen die niet bevrucht zijn en toch levensvatbaar. Uit die eitjes komen ook bijna altijd weer vrouwtjes. Tussen elke 5000 takken zit misschien maar één mannelijk takje. De vrouwtjes leggen ongeveer 10 eitjes per dag die na ongeveer 3 maanden uitkomen. De eitjes zijn ongeveer 2 mm lange, donkerbruine miniatuur-kippe-eitjes met een geel knopje erop. Dat knopje is een dekseltje. Na 3 maanden wordt dit dekseltje opgetild en verschijnt er binnen een kwartier een takje van maar liefst 10 mm. De pasgeboren takjes wegen nog bijna niets. In de vrije natuur komt dat goed van pas. Ze laten zicht met de wind meewaaien zodat ze verspreid worden. Dat is verstandig want als je met alle zussen op een kluit blijft wonen is de voedselvoorraad zo op. Een andere manier om zich te laten verspreiden is met behulp van de mieren. Het knopje op het ei is een lekkernij voor de mieren en deze willen het eitje dus meenemen naar het nest. Dit lukt niet altijd en ze laten de eitjes halverwege achter.

Vervellen

De wandelende takken vervellen in de eerste maanden van hun leven zes keer. Het vervellen hebben de wandelende takjes nodig om groter en dikker te worden. Ze hebben zo’n hard vel dat ze gewoon uit hun jasje barsten. Om de paar weken gaan ze aan een tak hangen. Na een tijdje laten de voorste en de middelste pootjes de tak los. Het diertje schommelt dan alleen nog aan zijn achterpoten. Dan hangt ze stil en buigt haar kop. Waardoor er een scheur in het vlies om haar heen. Als die groot genoeg is laat ze zich uit het velletje glijden.
De wandelende tak is nu zacht en kan ze een stukje groeien totdat ze zicht weer heeft verhard. Na zes vervellingen is ze volwassen. Enkele weken later begint ze met eitjes leggen.

  • NIEUWSBRIEF

    Blijf op de hoogte van onze acties!